Voortgezet onderwijs - Aardrijkskunde - Zoekkaart
Basisgrammatica |
||||||||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||||||
|
Beoordeling van klanten: |
||
Het volgende kunt u niet opnemen in uw beoordeling:
![]() |
Omschrijving:
Extra informatie:
Basisgrammatica is onderdeel van de Bundel Basisprogramma’s. Deze bundel bevat ook Basisspelling en Basis Werkwoordspelling.
In Muiswerk Basisgrammatica wordt aandacht besteed aan de drie belangrijkste woordsoorten die de traditionele grammatica onderscheidt. Verder komen de eerste beginselen van zinsontleding aan de orde.
Doelgroep Basisgrammatica
Basisgrammatica is bedoeld voor leerlingen in de eerste klassen van vmbo-bbl, -kbl en -gl. In de brugklassen van vmbo-tl, havo en vwo kan het programma gebruikt worden voor dyslectische of taalzwakke leerlingen voor wie Ontleden en Benoemen 1&2 nog wat te moeilijk is. In het mbo, het volwassenenonderwijs en de basiseducatie kan het programma gebruikt worden voor remediërende doeleinden.
Omschrijving Basisgrammatica
Het basisprincipe van de Muiswerkprogramma’s is dat diagnostische toetsen uitzoeken welke gebieden de leerling onvoldoende beheerst. Vervolgens selecteert het programma de oefeningen die daarbij aansluiten. Leerlingen werken op die manier alleen aan hun zwakke plekken. Ook Muiswerk Basisgrammatica is zo gestructureerd.

In Muiswerk Basisgrammatica wordt aandacht besteed aan de belangrijkste woordsoorten en zinsdelen. Deze kennis vormt de basis voor onderwijs van de Nederlandse spelling en zinsbouw en ook voor het onderwijs in vreemde talen. Aan de orde komen:
Zelfstandig naamwoord: herkennen op basis van vorm- en betekeniskenmerken;
We beginnen het schrijven en spellen met zelfstandige naamwoorden. Eerst wordt gewerkt met plaatjes, waarmee een beroep wordt gedaan op de intuïtie van de leerling. Leerlingen leren deze woordsoort vervolgens herkennen op basis van de inhoud: zelfstandige naamwoorden noemen een mens, een dier of een ding. Dat ‘ding’ kan concreet of abstract zijn. Tenslotte komen in deze rubriek verschillende vormkenmerken aan bod: er hoort meestal een lidwoord bij het zelfstandig naamwoord; zelfstandige naamwoorden hebben meestal een enkelvoud en een meervoud en ook vaak een verkleinwoord. De leerling moet uiteindelijk in staat zijn een zelfstandig naamwoord te herkennen in de context van een zin of een tekst. De afdeling bestaat uit acht oefeningen en er zijn zes verschillende oefenvormen gebruikt.
Bijvoeglijk naamwoord: herkennen op basis van vorm- en betekeniskenmerken;
Ook bij het bijvoeglijk naamwoord aandacht voor zowel betekenis als vorm. Het bijvoeglijk naamwoord noemt een kenmerk of eigenschap van een zelfstandig naamwoord (betekenis). Het heeft vaak een vergrotende en overtreffende trap (snel- sneller- snelst) en meestal is sprake van twee vormen (groot en grote).
Uiteindelijk moet de leerling kunnen aangeven welk woord een bijvoeglijk naamwoord is en ook welke vorm wanneer gebruikt wordt. De leerling ontmoet bij deze afdeling zes oefeningen in vijf verschillende oefenvormen.
Werkwoord: herkennen op basis van vorm- en betekeniskenmerken, splitsbare werkwoorden;
Deze rubriek over het werkwoord vormt de basis van enkele rubrieken die volgen (tijden, persoonsvorm, voltooid deelwoord). Eerst wordt weer gewerkt met plaatjes, waarmee een beroep wordt gedaan op de intuïtie van de leerling. Het werkwoord wordt vervolgens uitgelegd aan de hand van de inhoud: een werkwoord zegt wat iets of iemand doet. Dan komen enkele vormkenmerken aan de orde: de verschillende vormen die een werkwoord aan kan nemen; het bestaan van splitsbare en onsplitsbare werkwoorden. De acht oefeningen zijn weer gevarieerd: zes oefenvormen.
De tijden van het werkwoord: nu en toen, sterk en zwak;
De tijd van het werkwoord is als basis voor de spelling zó belangrijk dat er hier een aparte afdeling aan gewijd wordt. Met tegenwoordige en verleden tijd worden de noties ‘nu’ en ‘vroeger’ verbonden. In deze afdeling ook aandacht voor het verschijnsel dat veel werkwoorden in de verleden tijd van klank veranderen (sterke werkwoorden). Er zijn vijf oefeningen met drie verschillende oefenvormen.
Persoonsvorm
Als leerlingen eenmaal weten wat een werkwoord is en wat tijden zijn, dan kan de persoonsvorm aan bod komen. De afdelingen zijn dus niet toevallig in deze volgorde gezet. In eerste instantie worden alleen simpele enkelvoudige zinnen behandeld; sommige mét en ander zonder tweede werkwoord. Bij de laatste oefeningen ook eenvoudige samengestelde zinnen. In het belang van de werkwoordspelling moeten leerlingen ook bij deze zinnen in staat zijn te bepalen of een werkwoord een persoonsvorm is.
Voltooid deelwoord: verschillende soorten herkennen;
We hebben ervoor gekozen het voltooid deelwoord apart te behandelen omdat deze werkwoordsvorm bij de werkwoordspelling meestal ook apart behandeld wordt. Een leerling die het voltooid deelwoord aan zijn vorm herkent, maakt meestal minder fouten bij de spelling van zowel persoonsvorm als het voltooid deelwoord zelf. De afdeling bestaat uit zes variabele oefeningen en er zijn vijf verschillende oefenvormen gebruikt.
Zinsdelen: enkelvoudige zinnen leren opsplitsen; zelf zinnen opbouwen;
Om enig zicht te krijgen op de zinsbouw, is het belangrijk dat leerlingen leren dat zinnen opgebouwd zijn uit zinsdelen. Om te zien welke woorden samen een zinsdeel vormen, moet je de volgorde van de zin veranderen. Je kunt ook proberen welke woorden samen vóór de persoonsvorm kunnen staan. Die woorden zijn een zinsdeel. Vijf oefeningen in deze afdeling en drie verschillende oefenvormen.
Onderwerp: eenvoudige en lange onderwerpen leren afbakenen.
Voor het kunnen schrijven zonder fouten is het nodig dat leerlingen weten wat het onderwerp van de zin is, of in elk geval het onderwerp dat bij de persoonsvorm hoort. De onderwerpvraag (Wie of Wat + werkwoord(en)) wordt hier als methode gebruikt om het onderwerp te vinden. Dit ‘vinden’ wordt eerst op een intuïtieve manier geprobeerd in (H1) en later wat formeler. Bij de hogere oefeningen ook aandacht voor moeilijke onderwerpen als ‘men’ of ‘directie’, die taalkundig enkelvoud zijn, terwijl ze inhoudelijk aan meervoud doen denken. Zes oefeningen in deze afdeling en daarbij worden vijf oefenvormen gebruikt.
Verzamelrubriek: alle behandelde woordsoorten en zinsdelen.
De afdeling ‘Alles’ is een verzamelrubriek waarin alles bij elkaar komt wat in dit programma behandeld is. Voorafgaand aan een grote toets kan de docent de ene oefening van de rubriek laten maken. Voor deze oefening is gebruikgemaakt van drie verschillende teksten. De oefening kan dus herhaald worden en de leerling krijgt dan een andere tekst en andere vragen.
De stof is opgesplitst in twee delen. Het eerste deel gaat over de (drie) woordsoorten; het tweede deel over de rest. Er is voor elk deel een afzonderlijke toets, maar het programma bevat ook een overkoepelende toets, waarin de complete stof bevraagd wordt.
Basisgrammatica bestaat uit 3 toetsen en 51 oefeningen. Er zijn 88 uitlegschermen met plaatjes, schema’s en tekst. De leerling werkt met dertien verschillende oefen- en toetsvormen. In totaal zijn in dit lesbestand ruim 2000 variaties van zinnen en woorden en 27 teksten opgenomen.
Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Het vormt een basis die ook nodig is voor het leren van vreemde talen. Zowel allochtone als niet-allochtone leerlingen kunnen er hun voordeel mee doen. Alleen de belangrijkste woordsoorten en zinsdelen komen in dit programma aan bod. De vrijwel complete traditionele grammatica komt aan bod in het Muiswerkprogramma Ontleden en Benoemen 1&2. En speciaal voor allochtone leerlingen is het programma Grammatica I-III NT2.